Voorjaar 2020, de coronacrisis overviel de samenleving en het onderwijs. Vragen over kansengelijkheid werden extra urgent: niet alle leerlingen en studenten hadden aan het begin van de crisis toegang tot internet en devices en niet iedereen bleek digitaal vaardig genoeg. Onderzoek laat zien dat leerlingen van laagopgeleide ouders de grootste achterstanden op liepen. De vraag werd steeds nadrukkelijker gesteld: wat kunnen scholen doen om het ideaal van gelijke kansen in tijden van meer digitaal onderwijs zoveel mogelijk waar te maken?

Onderwijs aan het stuur

Deze publicatie laat zien hoe kansengelijkheid en -ongelijkheid elkaar afwisselen bij digitalisering in het onderwijs. Een goed ontworpen digitale app die leerlingen met leerachterstanden verder helpt, heeft potentieel een groot bereik en kan zo bijdragen aan het verkleinen van verschillen.

Tegelijkertijd ontstaan er grotere verschillen tussen leerlingen als bepaalde groepen beter hun voordeel weten te doen met digitale mogelijkheden dan andere. Dat vraagt om bewuste keuzes en weging, met het onderwijs aan het stuur.

Gelijke kansen en het onderwijs

Het ideaal van gelijke kansen stelt dat ieder mens met (potentieel) gelijke talenten en vermogens dezelfde kansen moet hebben in de samenleving, ongeacht zijn of haar achtergrond. Onderwijs wordt gezien als een van de belangrijkste middelen om dit ideaal te bereiken. In het onderwijs krijgt iedereen in principe de kans om zich zo goed mogelijk te ontwikkelen, los van iemands verdere omstandigheden. Kansengelijkheid in het onderwijs wil niet zeggen dat elke leerling dezelfde resultaten moet behalen, maar dat de achtergrond van de leerling (denk aan gender, etniciteit of sociaal-economische status) niet van invloed zou moeten zijn op zijn resultaten (OECD, 2018).

Equality of equity?

Kansengelijkheid is op verschillende manieren te interpreteren. Het onderstaande plaatje laat dit goed zien.

Bron afbeelding: Interaction Institute for Social Change,  Angus Maguire, interactioninstitute.org, madewithangus.com

Zorgen voor kansengelijkheid is te interpreteren als het bieden van dezelfde behandeling aan iedereen (allemaal een kistje om op te staan). Deze aanpak lost het probleem van ongelijkheid in de samenleving echter niet altijd op. In het geval van het plaatje valt er met die aanpak bijvoorbeeld iemand buiten de boot: het kleinste jongetje kan de wedstrijd niet volgen.

Het bieden van gelijke kansen is ook te interpreteren als het kiezen voor een ongelijke behandeling voor verschillende mensen op een manier die aansluit op hun behoeften (iemand krijgt geen, één, of twee kistjes om op te staan, afhankelijk van de lengte). Als dat aanbod goed wordt benut kan het tot meer gelijkheid leiden. In het voorbeeld van het plaatje: iedereen kan de wedstrijd volgen. In het Engels bestaat er een handig onderscheid om dit verschil in interpretatie duidelijk te maken: equality tegenover equity.

Het is een bekende uitspraak in het onderwijs: om meer gelijkheid te bereiken moeten we ongelijk behandelen. Dit past bij het principe van equity. Sommige leerlingen hebben extra ondersteuning nodig, zodat er wordt gecompenseerd voor achterstanden die zij door een ongelijke startpositie hebben. Er wordt dan dus rekening gehouden met de context, namelijk de ongelijke startpositie, zodat ook leerlingen die op achterstand stonden de mogelijkheid hebben om dezelfde resultaten te behalen.

Het plaatje laat ook mooi zien waarom dit zo belangrijk is: bij een exact gelijke behandeling (equality) alleen kan het kleinste jongetje de wedstrijd niet volgen, wat te interpreteren is als ‘mee kunnen doen in de maatschappij’. Alleen door extra ondersteuning die compenseert voor de omstandigheden (equity) komt hij boven het hek uit. (Over het plaatje en de toepasbaarheid is discussie, dat leest u in deze blog).

Kansengelijkheid in het Nederlandse onderwijs

Sinds 2016 waarschuwt de Onderwijsinspectie nadrukkelijk dat de kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs oploopt: leerlingen met hoogopgeleide ouders krijgen eerder een hoog schooladvies, terwijl leerlingen met laagopgeleide ouders eerder een laag schooladvies krijgen, ook al hebben zij een vergelijkbaar niveau.

In de Staat van het onderwijs 2017 waarschuwde de Inspectie voor toenemende segregatie. Leerlingen van verschillende sociaal-economische en etnische achtergronden komen in eigen ‘bubbels’ terecht en komen elkaar steeds minder tegen. In sommige van die bubbels zitten veel leerlingen met leerachterstanden en leerproblemen. Hierdoor ontstaat er op sommige scholen een concentratie van leerlingen met uiteenlopende problematieken. Die scholen hebben weer eerder last van het toenemende lerarentekort, waardoor de kwaliteit van het onderwijs voor de leerlingen op die scholen achteruit kan gaan, waardoor de kansen ongelijk worden.

In 2019 en 2020 nam de kansenongelijkheid in het onderwijs voor het eerst niet verder toe, maar de verschillen die er al waren blijven bestaan (Inspectie van het Onderwijs, 2017-2020).

Kansenongelijkheid op school zet het idee van het onderwijs als gelijkmaker onder druk: school wordt steeds meer een plek die bevoordeelde groepen juist sneller vooruit helpt in de maatschappij vergeleken met de groepen met minder kansen. Er wordt door het onderwijs en andere partijen hard gewerkt om de kansenongelijkheid tegen te gaan. De Gelijke Kansen Alliantie, een netwerk van gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties, is hier een goed voorbeeld van.

Sturingsmodel

Het onderwijs kan bij deze digitale ontwikkelingen zelf de regie behouden door te denken en te sturen vanuit waarden. Het ‘Sturingsmodel waardevol digitaliseren’ uit de publicatie Waarden wegen van Kennisnet is daarbij een hulpmiddel.

Sturingsmodel waardevol digitalisering uit ‘Waarden wegen’

Door te beginnen bij een voor het onderwijs belangrijke waarde als gelijke kansen kunnen scholen digitalisering zo sturen dat gelijke kansen voorop komen te staan. Dit vraagt steeds weer om een ethische weging in verschillende contexten. Het Ethiekkompas van Kennisnet helpt onderwijsteams om samen ethische afwegingen te maken.

Goede toegang is de basis

Elke leerling zou toegang moeten hebben tot een goed werkend device, tot veilig internet en tot passende en toegankelijke digitale leermiddelen. Veel is op dit gebied al goed geregeld. Toch zijn er ook nog verschillen tussen scholen, met een effect op gelijke kansen.

Elke leerling een goed werkend device en veilig internet

Tijdens de coronacrisis had bijna iedere leerling thuis toegang tot digitale middelen nodig om goed te kunnen blijven leren. Veel schoolbesturen regelden na een extra financiële impuls van de overheid via de coöperatie SIVON  in hoog tempo devices en internet voor leerlingen die vanuit huis geen toegang hadden.

Toch verschilt het nog per school in hoeverre digitale devices beschikbaar zijn. Ook de kwaliteit van die middelen verschilt. Dit kan effect hebben op de gelijke kansen van leerlingen. Scholen met kinderen van wie de ouders meer te besteden hebben, beschikken vaker over digitale materialen die het onderwijsproces kunnen verrijken, of zij kunnen aan de ouders vragen om die middelen aan te schaffen. Dit kan leerlingen van scholen met ouders die niet altijd in staat zijn om voorgeschreven laptops of tablets aan te schaffen, op achterstand zetten.

Als de school laptops en tablets beschikbaar zou stellen – net als schoolboeken en ander lesmateriaal – , dan kan dit ongelijkheden door de achtergrond van leerlingen voorkomen.

Voldoen aan toegankelijkheidseisen

Voor de toegankelijkheid van het onderwijs is het noodzakelijk dat ook leerlingen met beperkingen zonder drempels gebruik kunnen maken van leermiddelen. De Europese eisen voor digitale toegankelijkheid geven hier een kader voor. 

Door de toenemende digitalisering in het onderwijs verschuiven ook de verantwoordelijkheden op dit gebied. De verantwoordelijkheid om leermaterialen toegankelijk te maken komt nu meer en meer bij uitgeverijen van digitaal materiaal te liggen. Het is belangrijk dat verschillende partijen hier goed in samenwerken.

Toegang tot ict-toepassingen voor elke leerling

Een gerichte inzet van digitale middelen, zoals digitale prentenboeken en educatieve sociale robots, kan positieve effecten hebben op het welzijn en de prestaties van bepaalde groepen leerlingen, zoals leerlingen met Nederlands als tweede taal en leerlingen met gedragsstoornissen of leerproblemen. Zo kunnen kleuters uit gezinnen met een lage sociaal-economische status dankzij digitale prentenboeken grote vooruitgang boeken op taalvaardigheden als woordenschat, woordherkenning en fonologisch bewustzijn (Kennisrotonde, 2017). Ook apps in de thuissituatie kunnen leerlingen met achterstanden op het gebied van taal en rekenen vooruit helpen. Die apps moeten dan wel toegankelijk zijn, goed zijn afgestemd op de ontwikkeling van kinderen en aansluiten bij het Nederlandse onderwijs (Segers, 2017).

Leerlingen met rijke en hoogopgeleide ouders krijgen steeds vaker ook buiten schooltijd les, met ingekochte bijlessen (Elffers, 2019). Dit wordt ook wel ‘schaduwonderwijs’ genoemd. Ingekochte bijlessen kunnen ongelijke kansen in de hand werken, omdat ouders met minder geld niet voor extra bijlessen kunnen betalen. De kinderen van rijke ouders krijgen zo een extra grote voorsprong. Digitale apps en websites kunnen deze kloof weer verkleinen, omdat ze vaak goedkoper en toegankelijker zijn dan ingekochte bijlessen. Dat lost het probleem van de toenemende competitie echter niet op: wie zich buiten school niet met extra begeleiding en oefening bezig houdt, blijft achter. 

Kind krijgt les op computer van bovenaf
Digitale (onderwijs)apps en websites kunnen de kloof tussen groepen verkleinen, maar ze lossen het probleem van kansongelijkheid niet op. 

Bovendien kunnen digitale bijlessen en oefenapps waar ouders voor moeten betalen ook bijdragen aan ongelijke kansen. Er komen steeds meer digitale oefenapps beschikbaar, waarmee leerlingen buiten schooltijd kunnen oefenen met schoolopgaven. Die apps zijn vaak ook zo ingericht dat ze specifiek trainen voor de eindtoets. Als de ene ouder wel 12 euro in de maand kan en wil betalen voor een abonnement op zo’n app en de andere niet, dan draagt dit bij aan de kansenongelijkheid. 

Dit is een brede maatschappelijke vraag: er zijn veel nieuwe mogelijkheden om te leren buiten de school, maar hoe zorgen we dat hierdoor de ongelijkheid niet verder toeneemt? 

Digitale gelijkheid vraagt om meer dan toegang

Als de toegang tot digitale middelen goed geregeld is, dan zijn we er niet. We noemen hier drie aspecten die van invloed zijn op digitale gelijkheid:

Het belang van vaardigheden

Vaak zijn de mensen die al een voorsprong in de samenleving hebben ook degenen die de mogelijkheden van de digitale samenleving weten te benutten. Het SCP stelde in 2016 dat de grote verschillen in de toekomst niet bepaald zullen worden door bezit, maar door vaardigheden: we gaan van haves en havenots naar cans en cannots (Sociaal en Cultureel Planbureau, 2016). Basisvaardigheden als taal en rekenen zijn van groot belang  voor een goed leven in de samenleving. Toch loopt het niveau van basisvaardigheden onder Nederlandse leerlingen de laatste jaren terug. 

Vooral over de leesvaardigheden van jongeren zijn grote zorgen. De toenemende digitalisering maakt dit probleem extra urgent. Of iemand zijn weg kan vinden in de samenleving wordt steeds meer bepaald door de vraag of iemand zijn weg kan vinden op het internet, bijvoorbeeld om zichzelf te informeren, en bij het vinden van een baan of opleiding. Wie niet goed (begrijpend) kan lezen of getallen kan duiden, vindt zijn weg online ook niet goed. 

Om goed aan de (digitale) samenleving deel te kunnen nemen, is het bovendien belangrijk dat leerlingen digitaal geletterd zijn. Een digitaal geletterde leerling beheerst ict-basisvaardigheden, maar ook computational thinking, informatievaardigheden en mediawijsheid. Ook kritisch leren denken over de invloed van technologie op het eigen leven en de samenleving en hier vervolgens actief in kunnen sturen, is onderdeel van digitale geletterdheid. 

Er zijn grote verschillen in digitale geletterdheid tussen de leerlingen uit verschillende onderwijstypen. Vooral bij leerlingen uit het praktijkonderwijs en het vmbo valt het lage niveau vaak op. Dit bleek ook uit eerdere onderzoeken. De Monitor Jeugd en Media 2017 van Kennisnet bevestigt dit beeld. In het voorgenomen nieuwe curriculum is digitale geletterdheid een van de negen leergebieden. Doordat digitale geletterdheid structureel wordt opgenomen in het curriculum kunnen ongelijkheden verkleind worden. Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) werkt op dit moment aan kerndoelen op basis van de input van leraren en schoolleiders in het project curriculum.nu. Dat moet uiteindelijk ook leiden tot leermiddelen die recht doen aan de behoefte van leerlingen met bijvoorbeeld een verstandelijke beperking, voor wie bestaande lessen over digitale geletterdheid tot dusver grotendeels niet geschikt zijn.

Ook zelfregulatievaardigheden zijn van belang voor gelijke kansen. Apps en sociale media zijn zo ontworpen dat ze continu aandacht opeisen. Wie zijn aandacht beter weet te richten krijgt meer voor elkaar, wie daar meer moeite mee heeft is onderhevig aan de stroom van berichten en onderbrekingen. Hoger opgeleiden zetten internet eerder in om bepaalde doelen te bereiken (het volgen van een cursus, netwerken via LinkedIn) en minder snel als afleiding (Scheerder et al., 2020). Inzetten op zelfregulatievaardigheden bij leerlingen is daarom van groot belang. De afleiding van bijvoorbeeld smartphones in het onderwijs heeft vooral gevolgen voor de prestaties van leerlingen die toch al minder goed scoorden. 

Zet data-analyses en algoritmes verantwoord in

In het onderwijs wordt steeds meer data gebruikt. Scholen en besturen kijken hoe ze data-analyses en algoritmes kunnen gebruiken om leerlingen beter te laten leren, om schoolsucces te voorspellen en uitval tegen te gaan. Voor de lange termijn wordt veel verwacht van artificial intelligence (AI, ofwel  kunstmatige intelligentie. Dit zijn  computerprogramma’s die zelf leren door grote hoeveelheden data te analyseren, daar regels en strategieën uit te destilleren en die vervolgens beslissingen helpen nemen. 

Het gebruik van algoritmes en data-analyses kan bijdragen aan gelijke kansen: leerlingen met meer risico op uitval kunnen bijvoorbeeld eerder geholpen worden, en menselijke vooroordelen hebben minder directe invloed. 

Tegelijkertijd kan het tot ongelijkheid leiden als de gebruikte systemen vooroordelen in zich dragen. Dat kan op verschillende manieren gebeuren. 

Het is hierom belangrijk dat scholen, als ze data-analyses en systemen die werken op basis van algoritmen inzetten, verantwoord omgaan met de adviezen die uit de systemen en analyses naar voren komen. Welke beslissingen doen ertoe, hoe worden ze genomen en welke informatie is nodig om te controleren of die beslissingen gebaseerd zijn op normen, regels en kaders waar we het als samenleving mee eens zijn? Ook als er in de toekomst meer gebruik gemaakt wordt van algoritmes en AI in het onderwijs, blijven menselijke inschattingen en afwegingen een belangrijke eindverantwoordelijkheid van leraren, schoolleiders en bestuurders.

Adaptieve leersystemen: geen eenduidige effecten op gelijke kansen

Systemen die echt zelflerend zijn worden nog nauwelijks toegepast in het onderwijs. Wel maken veel scholen al gebruik van adaptieve systemen, bijvoorbeeld voor rekenen en taal, die beslissingen nemen op basis van data die ze tijdens het leerproces verkrijgen. Deze leermiddelen passen zich tijdens het leren en oefenen aan aan het niveau van de leerling, op basis van voorgeprogrammeerde beslissingen.

Adaptieve leermiddelen dragen de belofte van meer gelijke kansen in zich: elke leerling leert op zijn eigen niveau en krijgt steeds een volgende opdracht aangeboden die hem een stapje verder helpt. Bij adaptief leermateriaal is het probleem van vaste niveaugroepen – waar leerlingen niet snel weer uit komen – minder snel aan de orde, omdat zij hun eigen route door het materiaal volgen en dus een stap vooruit kunnen zetten als zij eraan toe zijn. Bovendien verdwijnt hierdoor het stigmatiserende effect van een vaste niveaugroep.

De resultaten uit wetenschappelijk onderzoek zijn echter nog niet eenduidig over de invloed van digitale adaptieve leermiddelen op gelijke kansen. Uit de eerste onderzoeken blijkt dat alle leerlingen er in lichte mate van profiteren, maar dat de leerlingen die toch al goed presteerden er het meest hun voordeel mee doen (Heijsters & Van der Ploeg, 2020). Vanuit het perspectief van gelijkheid en rechtvaardigheid kunnen we hier op verschillende manieren naar kijken.

Er kunnen ook negatieve effecten optreden.

Het is belangrijk dat er meer onderzoek gedaan wordt naar de effecten van digitale leermiddelen voor verschillende groepen, zodat goede afwegingen op het gebied van rechtvaardigheid gemaakt kunnen worden.  Intussen is het goed als scholen zich oriënteren op de mogelijkheden van adaptieve leermiddelen op dit moment en goed bekijken of deze passen bij hun didactische visie en leerlingpopulatie.

Laat elke leerling zien dat hij of zij de digitale wereld mede vorm kan geven

De digitale wereld wordt door bijna iedereen gebruikt, maar door een kleine groep mensen ontworpen.  Ellen Helsper, professor of digital inequalities aan de London School of Economics, benadrukt dat het overgrote deel van de digitale wereld wordt vormgegeven door een kleine groep met specifieke demografische kenmerken in Silicon Valley. Vrouwen zijn hierbij ondervertegenwoordigd, net als verschillende etnische of religieuze groepen.

Dit geldt ook voor Nederlandse beroepen in de ict. Hierdoor wordt het perspectief van deze groepen minder goed meegenomen in het ontwerp van digitale middelen. Dit heeft gevolgen voor de manier waarop de digitale wereld wordt vormgegeven en vervolgens voor de participatie en de representatie van deze groepen in de digitale wereld. Het onderwijs kan hier een rol in spelen en leerlingen door middel van voorbeelden, inspiratie en gelijke behandeling laten zien dat het ontwerp van de digitale wereld niet voorbehouden is aan bepaalde groepen.

Niet alleen het actieve ontwerp van de digitale wereld, ook het gebruik ervan draagt bij aan hoe die wereld er uiteindelijk uitziet, stelt Helsper. Digitale ecosystemen zijn zo ontworpen dat een ‘click’ of een ‘like’ bepaalde routes op de voorgrond stelt en andere naar de achtergrond verdringt. Algoritmes worden gevormd door gedrag. Het doet er dus toe wat we doen in de digitale wereld: we geven hem samen vorm. Het is goed als leerlingen op school leren om niet alleen passieve gebruikers van digitale middelen te zijn, maar dat ze leren dat ze de digitale wereld op een actieve en positieve manier kunnen vormgeven door de manier waarop ze het internet en digitale middelen gebruiken.

Conclusie

Toegang tot de digitale wereld is een belangrijke en noodzakelijke basis voor gelijke kansen in het onderwijs. Elke leerling moet toegang hebben tot een goed werkend device, tot veilig internet en tot passende en toegankelijke digitale leermiddelen. Maar alleen toegang is voor gelijke kansen niet genoeg en werkt mogelijk zelfs averechts. Het kan ertoe leiden dat degenen die al een voorsprong hadden in de samenleving ook hun voordeel weten te doen met de digitale wereld, terwijl andere groepen achterblijven.

Daarom is een tweesporenbeleid nodig.

Zorg voor goede toegang

Stuur gericht op goede toegang tot de digitale wereld voor elke leerling. Bijvoorbeeld door te zorgen dat de beschikking over een goed digitaal device niet afhangt van de middelen van ouders. En door ervoor te zorgen dat digitale leermaterialen voor alle leerlingen goed te gebruiken zijn, ook voor leerlingen met een beperking. 

Zorg dat goede toegang ook écht kan leiden tot kansengelijkheid

Zorg er dus voor:

De algemene conclusie dat digitale technologie in het onderwijs juist wel of niet bijdraagt aan gelijke kansen is niet zomaar te trekken. In deze longread hebben we spanningen blootgelegd: positieve en negatieve effecten kunnen tegelijkertijd optreden. Het gaat steeds om verschillende contexten en verschillende effecten voor verschillende groepen. Het luistert nauw om daarin het goede midden te vinden.

Zoek daarom verbinding met andere schoolbesturen om samen in gesprek te kunnen over het bevorderen van gelijke kansen in relatie tot digitalisering. Maar ook om gezamenlijk in te kopen en meer invloed op markt te hebben. Kijk bij de keuze voor leermiddelen bijvoorbeeld naar de manier waarop er gebruik gemaakt wordt van algoritmes en AI. Scholen kunnen met leveranciers en ontwerpers in gesprek op basis van waarden die voor het onderwijs van belang zijn. Rechtvaardigheid en gelijke kansen verdienen daarbij een belangrijke plek.

Gerelateerde informatie

Meer weten over ethiek en digitalisering?

Bronnen

Bazalt Groep (2020). Onderzoek kansen(on)gelijkheid. Bazalt Groep.

Bol, T. (2020). Inequality in homeschooling during the Corona crisis in the Netherlands. First results from the LISS Panel. Universiteit van Amsterdam.

Beland, L.-P., & Murphy, R. (2016). Ill Communication: Technology, distraction & student performance. Labour Economics, 41, 61–76.

Biesta, G. (2015). Het prachtige risico van onderwijs. Phronese.

De Rooy, P. (2018). Een geschiedenis van het onderwijs in Nederland. Wereldbibliotheek.

Denessen, E. (2017). Verantwoord omgaan met verschillen: sociaal-culturele achtergronden en differentiatie in het onderwijs. Universiteit Leiden.

Elffers, L. (2019). Het kopen van kansen: de inzet van schaduwonderwijs in de onderwijscompetitie. In H. van de Werfhorst, & E. van Hest (editors), Gelijke kansen in de stad (blz. 55-66). Amsterdam: Amsterdam University Press.

Engzell, P., Frey, A., & Verhagen, M. D. (2020, October 29). Learning Inequality During the Covid-19 Pandemic.

Heijsters, L., & Van der Ploeg, S. (2020). Digitale leermiddelen en gelijke kansen. Kennisrotonde.

Inspectie van het Onderwijs. (2020). De Staat van het Onderwijs.

Kennisrotonde. (2017). Wat is het effect van geanimeerde prentenboeken en het programma Letters in Beweging op de beginnende geletterdheid en taalontwikkeling van risicoleerlingen in groep 1 en 2?

OECD. (2015). Students, Computers and Learning: Making the Connection.

OECD. (2018). Equity in Education: Breaking Down Barriers to Social Mobility. OECD Publishing Paris.

Onderwijsraad. (2020). Advies Ondervangen gevolgen coronacrisis voor het onderwijs.

Segers, E. (2017). Lezen en digitale media: een perspectief op onderwijs. Universiteit Twente.

Scheerder, A. J., van Deursen, A. J. A. M., & van Dijk, J. A. G. M. (2020). Taking advantage of the Internet: A qualitative analysis to explain why educational background is decisive in gaining positive outcomes. Poetics, 80, 101426.

Sociaal en Cultureel Planbureau. (2016). De toekomst tegemoet: Leren, werken, zorgen, samenleven en consumeren in het Nederland van later. Sociaal en Cultureel Rapport 2016. Sociaal en Cultureel Planbureau.

Stevens, L. M. (2002). Zin in leren. Garant.

Swierstra, T., & Tonkens, E. (2011). De schaduwzijde van de meritocratie: de respectsamenleving als ideaal. Socialisme en Democratie, 68(7/8), 37–44.

Unesco. (2019). I’d blush if I could: closing gender divides in digital skills through education. Equals and Unesco.

van de Werfhorst, H. G., Kessenich, E., & Geven, S. (2020). The Digital Divide in Online Education. Inequality in Digital Preparedness of Students and Schools before the Start of the COVID-19 Pandemic.

Vuyk, K. (2017). Oude en nieuwe ongelijkheid. Uitgeverij Klement.

Deel deze pagina: Gelijke kansen en digitalisering? Goede toegang is niet genoeg

Delen
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • E-mail