Vermeulen is hoogleraar onderwijssociologie en heeft een uitgesproken mening over technologie en innovatie in het onderwijs. Hij is één van de sprekers op het congres OnderwijsInzicht 2022.

In hoeverre heeft het zin om grote onderwijsplannen te maken voor de toekomst?

“Ik denk dat een langetermijnvisie belangrijk is. Het onderwijs heeft immers lange verandertermijnen. Ik heb uitgerekend dat als je vandaag besluit om Chinees op te nemen in het kerncurriculum van het basisonderwijs, dat je dan waarschijnlijk pas over twaalf jaar de eerste leerlingen hebt die daadwerkelijk Chinees in het basisonderwijs gehad hebben.

“Daarbij heeft het niet geholpen, en daar ben ik heel kritisch over, dat we in de post-Dijsselbloem-periode geen ruimte hebben gemaakt voor grote innovaties zoals stelselwijzigingen. Daarmee sluit het onderwijs zichzelf op in een bestaande structuur.”

Waarom gaan veranderingen in het onderwijs zo traag?

“Allereerst is het onderwijs een hele grote sector, een kwart van de Nederlandse bevolking is elke dag met het onderwijs bezig, als leerling of leraar. Onderwijsprocessen zijn daarom massief. Daarnaast is het onderwijscurriculum een longitudinale route, die begint op 4-jarige leeftijd en die eindigt ergens op je 23e.

“Problematisch vind ik dat de R&D-capaciteit van het onderwijs slecht ontwikkeld is. Vergelijk het onderwijs met de zorg. Farmaceuten leveren tweederde van het budget voor medicijnenontwikkeling, en Philips levert hoogwaardige technologie. Dergelijke grote spelers mist het onderwijs. En in de overheidsbudgetten komt het onderwijs er bekaaid vanaf.

“Tot slot zijn leraren niet altijd even veranderbereid. Begrijpelijk, ze worden in de klas iedere dag geconfronteerd met onverwachte gebeurtenissen, ze ervaren dagelijks turbulentie. Grote beleidsveranderingen zijn dan al snel te veel. Daarnaast hebben ze ook weinig tijd om te innoveren. In Nederland staan leraren relatief veel voor de klas, terwijl een Vlaamse leraar makkelijk vier uur extra heeft per week om over andere dingen na te denken.”

Wat moet er veranderen?

“Ik denk aan het maken van een sterke innovatieagenda, het vergroten van R&D-capaciteit en het ontwikkelen van een betere kennisinfrastructuur. Een betere researchagenda is hoognodig. Daarbij moeten kennisinstellingen nauw samenwerken met het onderwijsveld. Maar dan moeten leraren wel de tijd krijgen om mee te denken.

“Onze kennisinfrastructuur is wankel. Onderwijswetenschappen staan er niet florissant bij. De universiteit leidt niet alleen weinig onderwijswetenschappers op, maar ook weinig eerstegraads leraren. Lerarenopleidingen voor het voortgezet onderwijs vormen al jaren een hoofdpijndossier. En het beroepsonderwijs heeft amper lerarenopleidingen. Daar maak ik me zorgen om.”

Veranderingen vragen om regie, wie neemt het voortouw?

“De overheid ontwikkelt geen visie op onderwijs. In Nederland klinkt al snel artikel 23. Daarbij heeft de overheid een louter faciliterende rol in de vorm van geldverstrekking, maar bemoeit zich niet met de inhoud. De politiek heeft een neoliberale, afstandelijke manier van kijken ontwikkeld naar het publieke domein, waarbij instellingen het zelf maar moeten uitzoeken.

“Sterker, we hebben decennialang niet zitten kijken naar een terugtredende overheid, maar naar een wegrennende overheid. Het onderwijsstelsel of het curriculum? ‘Daar gaan wij niet over.’ Maar in een land waar een kwart van de bevolking verbonden is aan het onderwijs met een budget van 40 miljard euro, daar mag je wel degelijk sturing van de overheid verwachten. De politiek is aan bal.”

Heeft het onderwijs zelf niet ook een regierol?

“Ja natuurlijk, ik pleit niet voor een autistische overheid. De overheid moet goed luisteren naar haar onafhankelijke adviseurs als de Onderwijsraad en de WRR. Wat ik verder mis is de vorming van een soort ‘elite’ uit de beroepsgroep die een constructieve bijdrage levert aan het ontwikkelen van een toekomstvisie. Leraren moeten als public intellectuals maatschappelijk gaan staan voor een visie en zeggen: ‘Zó gaan we het doen!’

De digitalisering van het onderwijs lijkt anders snel te gaan.

Marc Vermeulen
Marc Vermeulen: “Digitale systemen gaan de leraar gedeeltelijk vervangen.” © Giorgos Gripeos

“Nou, ook de digitalisering gaat buitengewoon traag. Technologisch zijn we al zo ver dat we de leraar kunnen vervangen door een hologram, dat de kinderen meeneemt in een game om de kerndoelen van biologie uit te leggen. Maar de praktijk is nog verre van dat.

“Ik zie het als de toekomst dat digitale systemen de leraar gedeeltelijk gaan vervangen. Die arbeidsproductiviteitssprong moet het onderwijs echt nog maken. Maar daar is een stevige R&D-agenda voor nodig, en budget.”

Een hologram als leraar, gaat dat niet ten koste van menselijke interactie?

“Voor een deel is dat misschien helemaal niet zo erg, als de leraar daarmee tijd overhoudt om de dingen die echt belangrijk zijn goed te doen. Ik zie liever dat een leraar een goed gesprek voert met drie kinderen die dat echt nodig hebben, dan dat die klassikaal lesgeeft, terwijl die les ook prima door middel van een artificiële game gegeven had kunnen worden. Bovendien, de inzet van digitale technologie als leerkracht is meteen een oplossing voor het lerarentekort. Ik ben er echt van overtuigd dat high tech high touch mogelijk kan maken.”

Meld u nu aan voor OnderwijsInzicht 2022

Gerelateerde informatie

Deel deze pagina: ‘De digitalisering van het onderwijs gaat traag’

Delen
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • E-mail