De hiervoor genoemde methodes zijn allemaal gebaseerd op dezelfde principes van ‘netwerk-leren’:

Netwerk-leren
© istock

Met netwerk-leren wordt uitdrukkelijk een andere weg ingeslagen dan met de meeste (nascholings)cursussen, die zich doorgaans beperken tot eenvoudige instrumentele vragen (‘knoppen drukken’). En zelfs wanneer een cursus meer biedt dan dat, is ‘alle leraren op cursus sturen’ domweg niet te doen, volgens Erik Barendsen, hoogleraar vakdidactiek informatica aan de Open Universiteit en hoogleraar bètadidactiek aan de Radboud Universiteit.

Het belangrijkste probleem met cursussen is dat ze niet écht bijdragen aan duurzame professionalisering. Barendsen: “In de klassieke nascholing ga je naar een cursus en dan ben je klaar. Dat kun je veel beter vervangen door netwerk-educatie, waarbij voortrekkers binnen de school anderen meenemen. Probeer leergemeenschappen te vormen in de scholen, bijvoorbeeld rond digitale geletterdheid. Zo word je een lerende gemeenschap.”

Professionele leergemeenschappen

Een ‘leergemeenschap’ is een docententeam dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling en verbetering van het eigen onderwijs, onder andere door lesmethodes en onderwijspraktijken te onderzoeken. Doet u dat systematisch, duurzaam en professioneel, dan spreken we van een professionele leergemeenschap (plg).

In het kader van haar promotieonderzoek aan de Universiteit Twente volgde Elske van den Boom-Muilenburg de afgelopen jaren scholen die ernaar streefden het onderwijs te verbeteren met behulp van professionele leergemeenschappen. “Scholen vragen zich af: wat werkt er voor ons? Ze willen weten of het onderzoek dat ze doen, effectief is en standhoudt.” Haar conclusie: door de kennis uit een professionele leergemeenschap te delen met collega’s en andere belanghebbenden, wordt die duurzaam ingebed in de hele schoolorganisatie.

Auctoraten

Om een professionele leergemeenschap tot stand te brengen, kunt u een auctoraat opzetten. Dat is een onderzoekswerkplaats op school, waarbij een onderwijsmedewerker de effecten van onderwijsvernieuwingen, -praktijken en -ontwikkelingen onderzoekt. Soms als eenling, maar vaak ook met collega’s. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij de vo-scholengemeenschap Greijdanus in het oosten van het land, waar scheikundeleraar Hans Vogelzang vorig jaar als auctor werd aangesteld. Sindsdien doet hij systematisch onderzoek naar onderwijsvernieuwingen.

In 2020 promoveerde Vogelzang op de leeropbrengst van de scrum-methode in het scheikundeonderwijs. Al snel wist men wat het thema en het onderzoeksobject van dit auctoraat zou moeten zijn, namelijk: brede vorming. Daar waren ze binnen Greijdanus al lang mee bezig, en dat wilden ze van een steviger ondergrond voorzien. Vogelzang doet dit niet alleen. Zelf zegt hij daarover: “Er is een groep collega’s die geïnventariseerd heeft wat we nu al aan brede vorming doen. Er zijn studieplanners en een deel van het programma met allerlei vormingsopdrachten is al klaar. Mijn taak als auctor wordt om dit allemaal bij elkaar te brengen en deze kennis te delen. Ik fungeer daarbij als een soort vliegwiel.”

Datateams

Een andere manier om onderwijs op een hoger plan te tillen, is de datateam-methode van de Universiteit Twente. Het idee is om teams van docenten en schoolleiders samen te stellen die aan een concreet onderwijsprobleem werken, op basis van beschikbare data. Elk team wordt op weg geholpen door een coach (vaak een wetenschapper).

“Wat je vaak ziet in het onderwijs, is dat men heel snel maatregelen neemt als er een probleem wordt geconstateerd”, zegt Kim Schildkamp, hoogleraar datagebruik voor leren en ontwikkelen aan de Universiteit Twente, die de methode heeft ontwikkeld. “Ze gaan heel snel van actie naar reactie.” Wat er vervolgens vaak gebeurt, is dat de school ziet dat de maatregelen toch niet goed werken. En wat dan?

Een datateam werkt altijd vanuit een concreet probleem, legt Schildkamps (voormalige) collega Elske van den Boom-Muilenburg uit. “Te veel zittenblijvers bij de overgang van 3 naar 4 havo bijvoorbeeld. Wat laten we daar als school liggen?” Zo’n concrete vraag leidt tot een hypothese waarvoor data wordt verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Als de onderzoekers geen onderbouwde conclusie kunnen trekken, moeten ze opnieuw beginnen, met een nieuwe hypothese. Met nieuwe maatregelen, die ze opnieuw evalueren. Gaat het weer mis, dan beginnen ze weer van voren af aan; een cyclische methode.

Lesson Study

Een onderwijskundige innovatie uit Japan is Lesson Study, waarbij docenten zelfbedachte lessen geven in een gecontroleerde omgeving. Collega-docenten observeren de leerlingen tijdens de les en bevragen ze naderhand. Daarna formuleren ze verbeterpunten en doen ze aanbevelingen. Niet alleen voor deze specifieke les of deze specifieke docent, maar ook voor de onderwijspraktijk in het algemeen.

In 2021 beschreven we deze aanpak al in een praktijkvoorbeeld. Twee docenten van OBS de Stap richtten een ict-technieklab in en lieten zich ondersteunen door een lector wetenschap en technologie van de Hogeschool IPABO. Er werden lesideeën ontwikkeld, bestudeerd en verfijnd, voordat ze schoolbreed werden toegepast. “Door goede initiatieven te stutten met wetenschappelijk onderzoek, is er een grotere kans op succesvolle innovatie”, zegt onderzoeksdirecteur Marie-José Kuypers van de Quadraam-onderwijsgroep. “Probeer niet alleen op je buikgevoel af te gaan maar doe onderzoek en bouw voort op wat al bekend is in de wetenschap.”

Conclusie: evidence-based professionaliseren

Het verdient dus aanbeveling om evidence-based* te professionaliseren. In plaats van ‘laten we maar iets proberen’ kunt u beter gebruikmaken van doordachte hypotheses, zorgvuldige toetsing daarvan en gestructureerd overleg daarover. Dat kan ook in samenwerking met universiteiten of hogescholen.

Dat je deskundigen van buiten met je eigen mensen laat meekijken, lijkt me een heel zinvolle oplossing

“Schoolleiders zouden moeten proberen om clubjes van enthousiaste docenten te formeren, die gericht met digitale geletterdheid aan de slag gaan en hun bevindingen delen”, zegt Sylvia Veltmaat, voorzitter college van bestuur van Flores Onderwijs in Arnhem, dat zo’n 33 basisscholen verenigt. Ze pleit daarbij voor nauwe samenwerking met de wetenschap. “Laat een aantal docenten een master volgen op het terrein van digitale geletterdheid of op het gebied van innovatie.”

Dat vindt ook hoogleraar Erik Barendsen, die betrokken is bij enkele projecten binnen het praktijkonderwijs. Daar ziet hij vaker dat docenten samen optrekken met wetenschappers bij onderwijsinnovaties. “Dat hoeft niet heel zwaar onderzoek te zijn, maar dat je deskundigen van buiten met je eigen mensen laat meekijken, lijkt me een heel zinvolle oplossing. Zeker bij zo’n betrekkelijk nieuw vak als digitale geletterdheid.”

Een tip tot slot

Concentreer u vooral op de taakverdeling en de cultuur op school. Veel scholen weten inmiddels wel dat netwerk-educatie beloftevol is, maar toch komt het maar mondjesmaat van de grond. Dat komt onder meer door vaste patronen en overtuigingen bij leraren en hun leidinggevenden. De ideeën over teacher leadership maken dit inzichtelijk.

* Evidence based werken, daar gaat het om, zeggen de deskundigen. In het onderwijs is ‘evidence based’ vaak niet haalbaar. Daarom wordt soms de (afgezwakte) term ‘evidence-informed’, gebruikt. Zie ook: Evidence-informed onderwijsinnovatie. Maar om aan te sluiten bij het algemeen gebruikelijke begrippenkader hanteren we hier de term ‘evidence based’.

 

Deel deze pagina: Netwerk-leren vliegwiel voor digitale geletterdheid van leraren

Delen
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • E-mail